De oplossing voor het klimaatprobleem? We moeten weer politieke beestjes worden

Kijk, we weten allemaal dat de klimaatcrisis echt is, en langzamerhand begint vanuit verschillende hoeken duidelijk te worden, dat deze ook nog eens veel urgenter is dan we aanvankelijk dachten en dat we snel stappen moeten ondernemen. Maar waarom gebeurt er dan toch maar niks?

Cultuurfilosoof Thijs Lijster biedt in zijn boek ‘De grote vlucht inwaarts’ een interessante kijk hierop. Het eerste probleem? Iedereen is schuldig en de schuld is veel te groot voor ons om te dragen waardoor we lamgeslagen worden. Lijster noemt dit naar Hegel ‘het leven in een totalitaire samenleving’:

Eenieder kan dagelijks prima ervaren wat Hegel met ‘totaliteit’ voor ogen had. Bijvoorbeeld in het besef dat ik me met ieder slokje koffie dat ik drink of met iedere chocoladeletter die ik eet, of met de kleding die ik draag, medeschuldig maak aan uitbuiting, kinderarbeid en slavernij. Of de wetenschap dat ik via mijn pensioenfonds of mijn spaarbank investeer in de wapenindustrie. Dat ik met mijn hypotheek – of creditcardschuld de volgende economische crisis in de had werk. […] Dat ik, zoals Volkskrant- columniste Sheila Sitalsing eens opmerkte, weliswaar een verontwaardigde tweet kan versturen over het Spaanse bedrijf European Security Fencing dat scheermesjesprikkeldraad produceert waarmee de grenzen van Europa worden afgesloten, maar dat ik die tweet op mijn beurt weer verstuur met een Iphone die geproduceerd is met grondstoffen die de inzet vormen van een bloedig neokoloniaal conflict in Centraal Afrika. […] In onze geglobaliseerde en gemediatiseerde samenleving kan niemand zijn handen wassen in onschuld; niemand kan beweren niet op de hoogte te zijn, of niet op een of andere manier bij te dragen aan de instandhouding van maatschappelijke misstanden. […] Het goede leven leiden, ja zelfs leven überhaupt, kan eigenlijk niet in een onware, dat wil zeggen immorele en onrechtvaardige wereld. […]

 

De eerder beschreven crises laten zien hoezeer de wereld één geheel is, waarin alles met elkaar is verbonden, terwijl dat geheel zich steeds verder aan onze controle lijkt te onttrekken. Het klimaatprobleem hangt, zoals afdoende bewezen is, samen met de wereldwijze verspreiding van de westerse levensstijl en de dorst naar fossiele brandstof die voortvloeit uit dezelfde levensstijl is weer een van de oorzaken voor het geweld in het Midden-Oosten en de huidige vluchtelingenproblematiek. Natuurlijk zijn deze zaken veel te complex om hier in één adem te noemen, laat staan om ze in een causale keten met elkaar te verbinden. Maar dat is niet waar het hier om gaat: de onoverzichtelijkheid en complexiteit van dergelijke problemen dwingen ons om steeds sociale en culturele vraagstukken in verband te brengen met economische en politieke kwesties, en andersom.

Er is dus ‘geen Darth Vader, Lex Luthor, James Moriarty of andere eindbaas, die we kunnen verslaan, waarna het euvel is verholpen’. Hierdoor signaleert Lijster dat we onze handen af trekken van ‘de buiten-wereld’ en ons terugtrekken op de veilige plek waar wel nog steeds een illusie van maakbaarheid en controleerbaarheid heerst: onze eigen levens.

De wereld is complexer en onoverzichtelijker geworden, waardoor we steeds minder in staat zijn om te zien hoe wij zelf nog actief vorm zouden kunnen geven aan die wereld. We gaan de wereld beschouwen al buiten-wereld, waarop we op geen enkele manier controle kunnen uitoefenen. En terwijl het ideaal van de maakbare samenleving te grave gedragen wordt, zijn we geneigd on zowel fysiek als ideologisch  af te sluiten, de blik naar binnen te keren, en ons vast te klampen aan de dingen die we nog wel in de hand hebben: het ‘kleine geluk’, van onze huiskamer, onze psychische en spirituele huishouding, en onze lokale tradities en gewoontes.

Maar zo merkt Lijster terecht op: waarom maakt die onoverzichtelijkheid ons apathisch in plaats van opmerkzaam en die oncontroleerbaarheid ons machteloos in plaats van argwanend. Waarom worden we niet wakker geschud maar trekken we ons in plaats daarvan terug?

Hij zoekt hiervoor de oorzaak bij de heersende  ideologie van onze tijd, het neoliberalisme dat ‘claimt dat het geen ideologie is’.

Ook het neoliberalisme vertrekt immers vanuit het argument dat er niemand aan het roer staat (of zou moeten staan), dat de markt de ‘natuurlijke’ toestand is van de mens, waarvoor geen redelijk alternatief bestaat. Door het neoliberalisme als een vorm van ‘technocratie’ af te schilderen, of een soort van automatische tendens van het systeem, wordt het feit verhuld dat er wel degelijk zeer bewust politieke keuzes voor dit systeem worden gemaakt, uit een zeer bewust klassenbelang. De ideologische rookgordijnen die worden opgetrokken om dit te verhullen, maken het echter steeds moeilijker om dit belang vast te stellen. […] In plaats van te zeggen dat iedereen verantwoordelijkheid is voor de genoemde crises, kunnen we daarom beter zeggen dat niemand er verantwoordelijkheid voor draagt, en dat precies daar het probleem ligt.

Ok, wat hebben we tot nu toe? De wereld wordt onoverzichtelijker en schijnbaar oncontroleerbaarder doordat alles met elkaar lijkt samen te hangen en dat nu ook voor ons zichtbaar is. Daardoor focussen we ons liever op onze eigen levens in plaats van op collectieve dromen en idealen. En deze beweging wordt ondersteund door de heersende ideologie van het neoliberalisme dat immers een illusie in zich draagt dat er geen daadwerkelijke machtshebbers zijn, maar dat dat slechts marktwerking is.

Volgens Lijster is er nog een factor die in dit krachtenveld meespeelt: de privatisering van datgene wat eigenlijk politiek zou moeten zijn. Wat bedoelt hij hiermee? Als er over de klimaatcrisis wordt gesproken wordt er al snel in individuele oplossingen gedacht. Zie bijvoorbeeld de vliegschaamte. Jij zou eigenlijk wel drie keer moeten nadenken voordat je weer eens het vliegtuig pakt, want al dat gevlieg van ons is verschrikkelijk slecht voor het milieu. Hoewel het natuurlijk klopt dat vliegen niet goed is voor het milieu, is de individualisering van de oplossing in de ogen van Lijster problematisch. Dat verhult namelijk ook weer waar het structureel maatschappelijk fout zit (en waar je dan niet alleen ook echte grote slagen kunt maken met een oplossing, maar ook het échte pijnpunt kunt dempen). Het doet mij persoonlijk altijd denken aan de verkoop van aflaten door de kerk om in de hemel te komen, in plaats van jezelf eens af te vragen wat we eigenlijk van zo’n hemel verwachten en hoe dat eventueel op aarde is te creëren.

Opgejut door de ideologie van de participatiesamenleving, zijn we geneigd de oplossing voor de wereldproblemen bij onszelf te zoeken. Helpen we het klimaat naar de knoppen? Koop een onbespoten appel bij de Marqt, compenseer de co2-uitstoot van je vliegreis door bomen te laten platen in de Kaukasus, of doe aan car-sharing. Wil je de volgende economische crisis voor zijn? Stap over naar een groene en verantwoorde bank, investeer in goud of ga wonen in een joert. Wat kun jij doen voor een vluchteling? Verzamel dekens, doneer je muffe knuffel, organiseer zelf benefietconcert, duurloop of cakebadwedstrijd, of neem er desnoods eentje in huis.

 

Hoe goedbedoeld en vaak idealistische ook, de individualisering of privatisering van de wereldproblematiek heeft een keerzijde. De gedachte dat een beter milieu bij jezelf begint, kan al snel omslaan in de overtuiging dat deze structurele maatschappelijke problemen voortkomen uit persoonlijk falen. Een voorbeeld van een dergelijke dwaling in de mythe van de ‘graaiende bankiers’- de hebzuchtige, gok-, coke- en kickverslaafde psychopaten – die verantwoordelijk zouden zijn voor de economische crisis.[…] Het is onvoldoende om te wijzen naar de graaiende bankiers, omdat hierdoor onderbelicht blijft dat hun gedrag en karaktereigenschappen structureel worden beloond, terwijl alternatieve eigenschappen – zoals een blik op de lange termijn en op duurzaamheid – door het systeem worden afgestraft. De moralistische blik leidt onze aandacht af van wat er op systeemniveau niet deugt, dat wil zeggen welke prikkels individuen aanzetten tot handelen.

 

De naïeve dromers van vandaag zijn niet degenen die zeggen dat het anders kan, maar veeleer de politici die menen dat we op de oude voet verder kunnen en moeten gaan, , omdat er nu eenmaal geen alternatief is, en de pragmatisch idealisten die menen dat je de wereld kan redden door biologisch geteelde wortels te eten.

En dus zijn we in een bizarre situatie terecht gekomen waarin we natuur – vanouds datgene dat onveranderlijk is – als iets maakbaars beschouwen, dat we naar onze hand kunnen zetten, terwijl heel duidelijk is dat het ons steeds meer aan onze controle ontsnapt. En is onze houding tegenover de maatschappij en onze menselijke geschiedenis – datgene waarop wij invloed zouden moeten kunnen uitoefenen, dat steeds aan verandering onderhevig is, steeds apathischer geworden. Lijster beschrijft het dan ook mooi dat natuur en geschiedenis plaats met elkaar hebben verwisseld:

Natuur en geschiedenis is tegenpolen, waarbij de eerste gekenmerkt wordt door het eeuwig-gelijke, de tweede door het nieuwe. Volgens Adorno zijn beide begrippen onder de condities van het laatkapitalisme echter in elkaars tegendeel omgeslagen. We veronderstellen dat we de natuur in al haar facetten kunnen manipuleren en inzetten; zij wordt eerst en vooral als grondstof beschouwd waarmee wij onze doelen kunnen realiseren. Dit geldt niet in de laatste plaats voor onze eigen natuur: wie niet tevreden is met zijn lichaam, laat zijn gezicht verbouwen of penis verlengen; wie niet happy is, slikt een pil; binnenkort kunnen we eeuwig leven en zullen we onze nakomelingen kunnen ‘designen’ door te selecteren uit onze genenpoel. Volgens techno-utopisten en transhumanisten zijn we allen cyborgs, waar eindeloos aan te sleutelen valt, of dit nu mechanisch, chemisch of genetisch is. Natuur is geschiedenis geworden, die we naar believen naar onze hand kunnen zetten.

 

Tegelijkertijd zijn we sociale verhoudingen juist gaan beschouwen als onveranderlijk en star- oftewel als natuurlijk. There is no alternative, zei Margaret Thatcher al, oftewel de kapitalistische, neoliberale samenleving is de enige denkbare mogelijkheid. […] Daardoor zijn meer en meer mensen de samenleving gaan beschouwen als iets waarop ze geen invloed kunnen uitoefenen, een buiten- wereld die hen vooral tot last is en vreemd en vijandig tegenover hen staat. We zien angstig de volgende crisis tegemoet, alsof het een orkaan betreft en niet iet wat door menselijk handelen – of veeleer het gebrek daaraan – veroorzaakt wordt. […]

 

Zodra we echter niet meer in staat zijn de maatschappelijke orde ter discussie te stellen, ons te verbeelden hoe het ook anders zou kunnen zijn, en deze verbeelding bovendien om te zetten in collectief handelen, zetten we de samenleving stil.

Voel je je continu te druk? Dat komt omdat jouw tijd handelswaar is geworden

Druk! Dat is het welbekende antwoord op de vraag hoe het gaat. Maar druk met wat precies? En vooral: voor wie eigenlijk? Filosoof Thijs Lijster stelt in zijn boek ‘De grote vlucht inwaarts’ dat we steeds meer moeten proppen in onze tijd:

Een van de grote problemen van deze tijd is de tijd zelf, meer in het bijzonder de versnelling van en het tekort aan tijd. Vraag een willekeurig iemand hoe het met hem of haar gaat, en grote kans dat het antwoord luidt: ‘Druk!’. Zoals de Duitse socioloog Hartmut Rosa zegt. wordt het alledaagse leven, zowel tijdens werk als in vrije tijd, tegenwoordig gekarakteriseerd door een ‘retorica van het moeten’,: ik moet nog zoveel e-mails beantwoorden, ik moet die nieuwe tentoonstelling in het Stedelijk nog zien en dat dikke boek van Piketty nog lezen, ik moet meer tijd doorbrengen met mijn gezin, en ik moet voor ik sterk de Chinese Muur nog zien (het fenomeen van de ‘bucketlist’). Het resultaat is een samenleving van ‘schuldige subjecten’, die het gevoel hebben achter de feiten aan te lopen, controle en overzicht over hun leven te verliezen, en massaal te kampen hebben met burnout – en stressklachten. Ondertussen neemt de hoeveelheid zelfhulpliteratuur over onthaasting, slow-bewegingen en ‘het zoeken van je eigen ritme’ gestaag toe.

Waardoor komt dat? Doordat we leven in een tijd waarin stilstaan geen optie meer is. Innovatie en (zelf)verbetering, continue vooruitgang, dat is het devies:

Maar wat als vernieuwing en verandering zelf een bron van maatschappelijke onrust worden? Moet alles en iedereen tegenwoordig niet ‘snel’ en bovenal ‘innovatief’ zijn, van de ondernemer tot de academicus, van telefoons tot waspoeders, van lesmethodes tot financiële producten? […] innovatie en groei zijn nog altijd de kardinale deugden va deze tijd.

Nu, stelt Lijster, is het van belang dit niet alleen op te merken, maar vooral je af te vragen, wie er eigenlijk belang bij heeft dat continue gejaag en gejakker?

Tijd is in onze voortrazende wereld een schaars goed geworden, en het is dan ook een natuurlijk uitvloeisel van de kapatalistische logica dat de hoogste bieder erover kan beschikken. Zoals Jonatha Crary schrijft in 24/7, zijn pamflet over de 24-uurseconomie: ‘Eén van de de oppervlakkige maar indringende truïsmen van de klassenmaatschappij is dat de rijken nooit hoeve te wachten, en dit voedt het verlangen om. overal waar mogelijk, dit specifieke privilege van de elite na te streven’. In de nabije toekomst zal dit verschil alleen maar toenemen: wie genoeg geld heeft, hoeft niet in de rij te staan voor de kassa (want laat zijn boodschappen bezorgen), op een wachtlijst te staan voor een operatie of verzorgingstehuis (want gaat naar een privékliniek), of in de file te staan (want neemt de helicopter). […] De bovenklasse heeft niet zozeer meer tijd, maar beschikt over de macht om de tijd vorm te geven, te manipuleren, om zijn tempo te bepalen.

Onze tijd is dus inmiddels iets geworden waar geld aan verdiend wordt. Handelswaar. En hoewel (tijds)druk een probleem is, waar iedereen mee zit, is heeft de bovenklasse twee voordelen. Allereerst heeft ze dus meer middelen waarmee ze die tijdsdruk te lijf kan gaan en zo een schijnbaar voordeel. Ik zeg schijnbaar omdat iedereen die met to do lijstjes werkt weet dat ze zich net zo snel weer weten te vullen, ook al heb je machtigere middelen ter beschikking om ze te lijf te gaan. Ook de elite is slaaf van ons vooruitgangsdenken, tenzij die tredmolen wordt gestopt. Maar het tweede voordeel dat Lijster benoemt is prangender:

Terwijl onderdrukking traditioneel juist bestond in het vasthouden van bestaande maatschappelijke structuren, zien we tegenwoordig de opkomst van onderdrukking door verandering; verandering waar de mondiale elite van profiteert terwijl ze de onderklasse in chaos stort; verandering die bovendien steeds als noodzakelijk wordt gepresenteerd […]

Hoe nu hieruit te ontsnappen? Lijster waarschuwt voor een te makkelijke oplossing te zoeken in die fijne meditatieapp of een slow evening inlassen. Dit verhult het probleem, in plaats van dat het het oplost:

Maar net zomin zou zij zich moeten laten verleiden tot oproepen om te ‘onthaasten’, en zich zo aan de zijde scharen van de mindfulness- en slowbewegingen. […] Ze verhult immers de belangen die schuilgaan achter de versnelling, verandering en verdeling van de tijd, en doet voorkomen dat stress en haast persoonlijke problemen zijn waarvoor een individuele oplossing mogelijk is.

De echte oplossing, zo stelt Lijster, zit ‘m erin dat we onze tijd weer gaan terugclaimen, net als onze data en privacy.

Daarom komt het er allereerst op aan om de tijd, net als de geschiedenis, te beschouwen as iets wat wij collectief vormgeven en verdelen. De tijd behoort met andere woorden, net als natuurlijke bronnen als water en zonlicht en kunstmatige bronnen als informatie, kennis en cultuur, tot de commons, het gemeenschappelijke domein dat niemand zich als privébezit zou moeten mogen toe-eigenen. Natuurlijk gebeurt dat op grote schaal wel degelijk met bovengenoemde natuurlijke en kunstmatige bronnen. Er is in onze tijd een grootschalige enclosure of the commons (onteigining van het gemeenschappelijke) gaande, net zoals in de achttiende eeuw onder andere in Groot-Brittanië het geval was, waar gemeenschappelijke akkers, bossen en graasweiden tot privébezit verklaard werden.

 

Advies in concurrentiestrijd met China om technologie: Blijf achterlopen

Daniël Mugge, hoogleraar Politieke Arithmetiek, stelt dat het beter zou zijn om de wedloop rondom technologie met China gewoon besluiten te verliezen. Waarom in godesnaam? Nou, omdat je dan op de eerste plaats als EU je eigen normen en waarden kunt behouden – privacy bijvoorbeeld. Dat zou op de tweede plaats ook nog eens voor een stevige concurrentiepositie kunnen zorgen, aangezien ethisch consumeren iets is dat bij steeds meer consumenten hoog in het vaandel komt te staan.

In een open wereldwijde tech-wedstrijd legt Europa het af tegen zijn concurrenten.Tot nu toe wordt die positie vooral betreurd – een teken van Europese zwakte. Maar het is iets om trots op te zijn. Hier zijn democratie en burgermaatschappij sterk genoeg ontwikkeld om de rechten en vrijheden van onze medemensen niet ondergeschikt te maken aan doorgeslagen tech-fantasieën of de digitale begeertes van autoritaire machthebbers. Als dat betekent dat geen Europees bedrijf de competitie met Facebook of een Chinese KI-grootmacht aankan, zij het zo. Wie weet kan je elders in de wereld je koffie binnenkort met een scan van je iris betalen, terwijl je hier nog je smartphone nodig hebt. Ik vind het best, als zo mijn vrijheid gewaarborgd blijft.

De politieke nadruk moet dan ook niet liggen op mondiale concurrentie met Amerikaanse of Chinese digitale producten, maar bij beschermde, Europese versies die wél aan onze normen en waarden voldoen. Denk aan bewakingssystemen voor openbare ruimte die jouw privacy wél respecteren, of aan verzekeringsmaatschappijen die juist níet alle beschikbare data over jou benutten om jouw gedrag te voorspellen. Om die tot bloei te laten komen zullen we de grote gevestigde spelers uit China en de VS buiten te deur moeten houden. Maar een selectieve digitale de-mondialisering is een kleine prijs te betalen om onze eigen normen en waarden ook in het digitale tijdperk te behouden.

We verwachten teveel van shrinks: dat gelukkig worden moet je zelf doen (of beter nog: leren loslaten)

Psychiater Damiaan Denys stelt in een interview op Brainwash als voorproefje van zijn nieuwe boek “Het tekort van het teveel” dat we steeds meer investeren in geestelijke gezondheidszorg, maar dat desondanks we steeds ongelukkiger worden. Zijn verklaring? We zien onszelf en ons geluk als een maakbaar project, iets dat we voor elkaar zouden moeten kunnen fröbelen, al dan niet met behulp van een psycholoog of psychiater. Graag 1 receptje geluk graag!

‘Als we de psychiatrie willen redden, moet ze kleiner worden. De psychiatrie is een discipline van de geneeskunde die zich bezighoudt met de diagnose en behandeling van psychische stoornissen. We hebben daar veel te hoge verwachtingen van. We willen dat behandelaars ons helpen om gelukkig te worden, gezond te blijven en veerkrachtig te worden. Daar heeft een psychiater helemaal niet voor geleerd en dat kán hij ook helemaal niet. We komen naar een behandelaar en zeggen: ‘Help mij, los het op!’ Daar is de psychiatrie niet voor bedoeld, en dat is maar goed ook. Stel je voor dat het wel zo zou zijn, dan word je geboren en wordt er voor het leven een psychiater aan je gekoppeld. Sommige dingen in het leven kun je beter zelf doen.’

Waarom Apple onze redder zou kunnen zijn

Ik schreef al eerder over Tristan Harris, voormalig tech-ethicus bij Google en nu vooral ons geweten-op-pootjes over hoe onze technologie nu onevenredig veel van onze aandacht opslurpt. Hier lees je de nieuwsbrief Een kwaliteitskeurmerk voor technologie terug.
Maar nu las ik laatst een prachtig interview van Wired met hem – en is onlangs een tweede TEDtalk die hij hield online gekomen – waarin Harris zijn ideeën helderder verwoordt dan ooit en ook nieuwe ideeën te berde brengt. Kortom, een mooie aanvulling op m’n eerdere nieuwsbrief en zeker leesvoer dat je gelezen moet hebben. Ik vis de belangrijkste punten er voor je uit.

Continue reading

Tech die je emoties leest, worden we daar beter van?

Willen we technologie zo ontwerpen dat deze minder van onze aandacht vergt, dan is één van de manieren om het persoonlijker toegesneden op ons te maken. Maar hoe ver wil je daarin gaan? Onze emoties zijn één van de meest persoonlijke zaken van een mens. Affective computing onderzoekt hoe computers menselijke emoties kunnen herkennen, interpreteren en ook kunnen simuleren. Een zelfrijdende auto die je moederlijk het advies geeft om beter niet te gaan rijden omdat je te stressvol bent na aan aanvaring op het werk…zou jij dat willen?

Continue reading

We hebben een offline fetisj

Deze week wil ik het hebben over onze obsessie met het vinden van een goede online/offline balans en hoe dat eigenlijk ****shit is. Tenminste, de terminologie die we daarvoor gebruiken en het disconnectgedrag dat daaruit voortvloeit – niet het verlangen an sich. Om tot de echte oplossingen te komen, moet je eerst het echte probleem zien. En dat betekent dat we onze ongezonde obsessie – zeg maar gerust fetisj – met het echte leven dat alleen offline gebeurt moeten loslaten. 

Weg met het online/offline onderscheid: dat is er niet

Geen telefoons aan de eettafel want dan kun je tenminste echte gesprekken met elkaar hebben. Je 500 Facebookvrienden…dat zijn toch geen echte vriendschappen? Je kunt beter je tijd besteden aan je echte vrienden. Zonder je telefoon kun je veel beter je vakantie/concert/restaurantbezoek beleven, dan geniet je er tenminste echt van in plaats van alleen te letten op de instagramable qualities.
Herken je dit?
Bovenstaande formuleringen lees je steeds vaker in de media (of hoor je in je sociale omgeving). Ze vormen de kern van de Tegenbeweging die om een betere relatie met haar smartphone te krijgen, aan dat ding steeds meer paal en perk stelt in de vorm van detoxen, strategische unplugmomentjes en digitale sabbaths op vakantie of in het weekend.
Hierin zit een belangrijke aanname verborgen, namelijk dat er een onderscheid is tussen on- en offline. En natuurlijk het sterke morele oordeel dat offline per definitie te verkiezen is boven online.
Maar, is er nog wel een onderscheid? Nathan Jurgenson – een heel interessante denker die momenteel als onderzoeker voor Snapchat werkt – muntte in 2011 al de term ‘digitaal dualisme’ voor het geloof dat er nog zoiets is als een analoge wereld en een virtuele variant.
the Internet is like the Matrix, where there is a “real” (Zion) that you leave when you enter the virtual space (the Matrix) -an outdated perspective as Facebook is increasingly real and our physical world increasingly digital. (bron)
Maar er is geen verschil meer, stelt Jurgenson. We leven in één realiteit waarbinnen online interacties een even sterke aanwezigheid hebben als offline interacties. Er is niet zoiets als puur offline of puur online meer: onze on/offline ervaringen voeden elkaar, soms op een positieve manier, soms op een negatieve manier. Maar als je dit erkent, deze onlosmakelijke verbondenheid, kun je het tenminste eindelijk eens gaan hebben over wat het échte probleem is dat vaak wordt verhuld door de terminologie van on-/offline balans. Is het probleem bijvoorbeeld dat we te vaak verkeren in de digitale wereld van onze smartphone (oplossing: zet dat ding uit) of is het probleem dat we in een permanente cultuur van bereikbaar moeten zijn leven?
Did you notice that even when your phone is off, it’s not really off? Because even then we know that emails are coming into our inbox, friends are posting messages that we are missing out on and mayor news is happening. […] We are living in an always on world where there’s no off switch. Silent mode is not silent.
En nee, hoewel bereikbaar zijn natuurlijk een affordance is van onze mobiele technologie, is het niet synoniem ermee. Het is een breder probleem dat ook wortelt in onze productiviteitscultus, de plek die werk inneemt in onze zingeving en ons economisch systeem dat geobsedeerd is met groei.

We lijden aan een offline fetisj

Jurgenson schrijft dat we door ons digitaal dualisme geobsedeerd zijn door het offline, of in zijn woorden: we hebben een IRL (In Real Life) fetisj.
One of our new hobbies is patting ourselves on the back by demonstrating how much we don’t go on Facebook. People boast about not having a profile. We have started to congratulate ourselves for keeping our phones in our pockets and fetishizing the offline as something more real to be nostalgic for.
Dat is gebaseerd op sterke morele oordelen, in plaats van op feitelijke eigenschappen:
This comparatively recent (over)valuing of “offline” objects and experiences doesn’t stem from some change in their intrinsic properties, however. Rather, we ascribe more value to certain “offline” objects and experiences—which we misleadingly label “real,” as if online objects and experiences were not equally real—because they now serve as symbols (fetishes) that represent both the superiority of the precious, authentic “offline” and the inferiority of the hollow, ubiquitous, ever-encroaching “online.”
En ook een sterke morele veroordeling, een superioriteitsgevoel over al die arme anderen die zich maar telkens laten meeslepen naar die virtuele wereld:
While the offline is said to be increasingly difficult to access, it is simultaneously easily obtained — if, of course, you are the “right” type of person. […]
People boast about their self-control over not checking their device. “I am real. I am the thoughtful human. You are the automaton.”
Bovendien, schrijft Jurgenson, is het geen kwestie van dat onze online ervaringen onze offline ervaringen verdringen. Juist door de onrust die onze continue digitale aanwezigheid veroorzaakt, waarderen we de momenten van ongestoordheid des te meer:
We may never fully log off, but this in no way implies the loss of the face-to-face, the slow, the analog, the deep introspection, the long walks, or the subtle appreciation of life sans screen. We enjoy all of this more than ever before. Let’s not pretend we are in some special, elite group with access to the pure offline, turning the real into a fetish and regarding everyone else as a little less real and a little less human.

Laten we praten over echt aanwezig zijn

Goed, niet meer over online/offline meer praten dus. Maar waarover dan wel? Want zoals ik in mijn inleiding al schreef: de terminologie mag dan misleidend zijn die we nu hanteren, ze beschrijft wel echte problemen die we nu ervaren. Wellicht kan dit stuk van internetonderzoeker Whitney Erin Boesel ons op een goed spoor zetten, waarin ze voorstelt dat we in plaats van online/offline in termen van aanwezigheid/afwezigheid gaan denken.
Haar stuk begint met haar herinnering aan een avondje uit, wat biertjes drinken en flipperen in een bar met drie goede vrienden. Of, wacht even…drie vrienden? Boesel realiseert zich opeens dat ze maar met twee vrienden in de bar stond. Met de derde vriend had ze de hele avond geappt en blijkbaar was zijn online aanwezigheid zo sterk dat ze hem in haar herinnering gewoon lijfelijk in de fysieke bar had getransporteerd:
A few seconds later, however, it hit me that my mental picture of that moment didn’t match my memory of it. What I remembered was being in the dive bar spending time with three friends, but I could only picture two friends lit by the flashing lights of so many pinball machines. I realized that Friend #3 had been so present to me through our digital conversation that my memory had spliced him into the dive bar scene as if he’d been physically co-present, even though he’d been more than 200 miles away.
Dat zette haar aan het denken: begrijpen we het begrip ‘aanwezigheid’ nu verkeerd? Gaat het bij aanwezig zijn wel echt om fysieke aanwezigheid in dezelfde ruimte of gaat het om mentale, emotionele aanwezigheid?
When my friend pulls out a phone while I’m talking, it’s not that my friend is suddenly absent; it’s that my friend is shifting their attention from our dinner together to the stranger whom they, in this case, just invited to stop at the table. And yes, doing that mid-conversation is rude
Roesel pleit ervoor om mensen aan te spreken op hun rudeness, hun onbeleefdheid, maar dan wel op de juiste manier. Het gaat er namelijk niet om dat je vriend z’n telefoon erbij pakt, maar het gaat erom dat hij jou niet meer zijn volledige aandacht schenkt. Als je in termen van aanwezigheid praat, dan heb je iets concreters om iemand op aan te spreken:
Starting from an assumption of presence, however, allows us to capture difference by asking what each smartphone user is doing and why. If we assume absence, all we have is what those smartphone users are (aka, absent).
En bovendien, stelt Roesel, laten we niet ervan uitgaan dat de afwezigheid van een smartphone de mentale aanwezigheid van een persoon betekent.
A smartphone in my hand may make it more glaringly (glowingly?) apparent to the person speaking that I’m not giving them my full attention, but I don’t need the smartphone in my hand to create the possibility of inattention. If we view smartphone use as “absence,” it’s too easy to see non-use automatically as presence; yet, we all know the frustration of talking to someone who’s distracted, even without a smartphone in their hand. We shouldn’t kid ourselves that we have someone’s attention just because the thumbs are still and the eyes are pointed in our general direction.

Offline: recht voor allen of luxe voor the happy few?

We worden in allerlei media aangemoedigd om te unpluggen, te detoxen, te disconnecten. “Volg deze vijf tips op en je bent weer verzekerd van betere on/offline balans.” Wat we daarmee uit het oog verliezen is dat de aandachtseconomie die ten grondslag ligt aan de aandachtsverslindende apps op je smartphone precies dát is wat het woord al zegt: een economisch principe. Willen we dus echt doordringen tot de kern waarom we nu zo’n slechte relatie hebben met onze telefoon, dan is het niet genoeg om te blijven steken op technologisch – laat staan individueel – niveau, maar moet je je gaan begeven in het politieke en economische domein. Maar om het leuk te houden, gooi ik er wel een lekker donutje voor je in.  

The right to disconnect

We gaan weer met z’n allen er even lekker tussenuit tijdens de zomervakantie, maar wees eens eerlijk: ben jij écht weg of check je toch stiekem je werkmail?
Op 1 januari nam Frankrijk een wet aan die bedrijven met meer dan 50 werknemers verplicht om een ‘disconnection’ beleid te hebben rondom communicatie na werkuren en in vakanties. Het was het eerste land dat zoiets in regelgeving vastlegde. Er zijn echter al voorbeelden bekend van bedrijven die het recht op niet bereikbaar hoeven te zijn al vastlegden in hun bedrijfspolicy. Maar zoals ik me in m’n nieuwsbrief over dit onderwerp al afvroeg: is dit wel aan landen om dit als recht vast te leggen? Hoort dit thuis in het politieke domein? En zo ja: Benadeel je door the right to disconnect vast te leggen voor een paar groeperingen niet onbedoeld andere mensen?

Alleen happy few kunnen zich ‘offline’ veroorloven

Tech-criticus Evgeny Morozov heeft het recht om offline te kunnen zijn ook niet erg hoog zitten. Hij vindt dat ‘the right to disconnect’ nu op twee manieren veel te beperkt bekeken wordt, waardoor de verkeerde groepen verliezen.
Allereerst schrijft hij dat ‘the right to disconnect’ dat zich toespitst op (email)communicatie vanuit je baan weinig zin heeft als de meest verslavende bedrijven zoals Facebook en Instagram gewoon door mogen gaan met hun praktijken om te verdienen aan je aandacht. In plaats van dat we dan wat van onze aandacht terugwinnen, verschuift het dan gewoon van werk-email naar nog meer social media. Winnaars: social media. Verliezers: wij en onze werkgevers.
[….] What do we really gain if we win the right not to check our work-related email only to squander it on clicking, half-mesmerised, that “update” button on Facebook or Twitter? One set of companies – our formal employers – stand to lose, as they can’t expect us to be always available; another set of companies, though, our informal employers – the likes of Facebook and Twitter – stand to gain, as we gladly furnish them with valuable data that propels their growth.
De tweede manier waarop we ‘the right to disconnect’ te beperkt opvatten is dat het nu vooral in de context van de traditionele baan wordt bekeken. En constante bereikbaarheid is juist de sleutel voor veel beroepen uit de sharing economy. Even niet bereikbaar? Geen werk, geen inkomsten. Lees bijvoorbeeld dit stuk van vriendin Yuki Kho voor Vrij Nederland die werkte als Foodora koerier om erachter te komen hoe het is om voor een algoritme te werken
En dus ziet Morozov ‘the right to disconnect’ vooral als een bescherming voor de mensen die het eigenlijk niet (of in elk geval minder) nodig hebben: de mensen die al een (vast) arbeidscontract bij een bedrijf hebben. Verliezers: de ‘sharing economy’ werknemers.
Hence the paradox: the gig workers need no right to disconnect as no one is forcing them to work – and yet the dynamics of the platform are such that meaningful disconnection is made almost structurally impossible. […]
Thus we end up in the odd situation where well-protected regular jobs acquire extra benefits like “the right to disconnect”, while the unprotected, precarious jobs in the gig economy keep expanding – mostly by violating this very right as often as possible.
We moeten onze discussie over een offline/online balans dus vooral in een breder perspectief bekijken. Niet alleen het plaatsen bij de wilskracht, of skills van een individu, maar het zien als een maatschappelijk probleem, dat ook raakt aan de manier waarop nu onze economie is ingericht.
To be truly meaningful, the right to disconnect needs to be tied to a much broader, radical vision of how a data-rich society can retain some basic elements of equality and justice. In the absence of such a vision, this right will only protect those who are already well-off, forcing the rest to seek solutions – like mindfulness apps – in the marketplace.

Digitale detox is een politiek, niet individueel probleem

De reden waarom we bovenstaande nuancering missen – de politieke dimensie van digitale detox – zit ’m deels in de taal die de tegenbeweging hanteert. Unpluggen, digitale detox, disconnecten: deze principes richten zich vooral op het individu dat actie moet ondernemen, eventueel ook op sociaal vlak. We moeten af van deze ‘gemedicaliseerde’ taal, vindt Morozov, om echt slagkracht te krijgen:
But couldn’t the “disconnectionists”—as one critic has recently dubbed this emerging social movement—pursue an agenda a tad more radical than “digital detoxification”? For one, the language of “detox” implies our incessant craving for permanent connectivity is a medical condition—as if the fault entirely resided with consumers. And that reflects a broader flaw in their thinking: The disconnectionists don’t seem to have a robust political plan for addressing their concerns; it’s all about small-scale individual action. […]
In other words, why we disconnect matters: We can continue in today’s mode of treating disconnection as a way to recharge and regain productivity, or we can view it as a way to sabotage the addiction tactics of the acceleration-distraction complex that is Silicon Valley.

Denk meer in donuts in plaats van groei

Waar Morozov de ongelijkheid nog koppelt aan de sharing economy, schreef ik al eerder over Douglas Rushkoff die de oorzaak van de aandachtseconomie zoekt in het economisch model dat nu de boventoon voert: de groei-economie.
En we begaan een enorme fout als we de schuld van dit oogsten van aandacht proberen op te lossen door de bad guy – technologie – uit ons leven te bannen. Dan mis je compleet het punt, namelijk dat deze economische principes al eeuwenlang bestaan, lang voor het ontstaan van je smartphone, email of internet.
De vraag die we onszelf moeten stellen is dan ook niet ‘hoe komen we af van onze digitale verslaving?’ maar: ‘hoe kun je een samenleving bouwen op niet-groei of prestatie geïndiceerde normen en waarden?’. En: ‘hoe gaan we onze zingeving inrichten als dat niet gebaseerd is op groei?’. Hier vind je m’n complete nieuwsbrief erover.
Een alternatief voor de groei-economie zou je kunnen vinden in de donut-economie van Kate Raworth. In haar op 6 april verschenen boek ‘Doughnut economics’ stelt ze dat de huidige economie is gebaseerd op een aantal rigide ideeën die niet alleen geen recht doen aan de huidige dynamiek van de genetwerkte wereld, maar ook nog eens ervoor zorgen dat we stuurloos – zonder menselijke waarden- alleen richting oneindige groei aan het rennen zijn.
Als we over economie praten dan hebben we het vooral een paar smalle begrippen. In de woorden van Ewald Engelen: over het bruto binnenlands product (bbp); de aanname van de individualistische economische actor, homo economicus genaamd; het idee van de eigenstandige, op zichzelf staande markt; het mechanische marktevenwicht; de omgekeerde U-curves van ongelijkheid en verduurzaming (hoe rijker, hoe gelijker en schoner); en de illusie van exponentiële groei.
Deze begrippen bepalen wat wij onder economie scharen, wat zichtbaar is binnen deze kaders en wat onzichtbaar:
The central image in mainstream economics is the circular flow diagram. It depicts a closed flow of income cycling between households, businesses, banks, government and trade, operating in a social and ecological vacuum. Energy, materials, the natural world, human society, power, the wealth we hold in common … all are missing from the model. The unpaid work of carers – principally women – is ignored, though no economy could function without them. Like rational economic man, this representation of economic activity bears little relationship to reality.
Volgens Raworth is het dan ook de hoogste tijd om dit foutieve gatenkaasmodel van economie – en daarmee ook van ons mensen – bij te stellen. Hoe we dat moeten doen? Door economie weer richting te geven, haar niet langer waardenvrij te laten, maar een maatstaf en instrument te laten zijn voor wat wij als een goed leven beschouwen.
The aim of economic activity, she argues, should be “meeting the needs of all within the means of the planet”. Instead of economies that need to grow, whether or not they make us thrive, we need economies that “make us thrive, whether or not they grow”. This means changing our picture of what the economy is and how it works.
Als alternatief stelt Raworth dan ook de donut voor:

Deze donut – het groene gedeelte –  bestaat uit twee ruimtes of ringen. De ruimte aan de binnenkant representeert alle dingen die we nodig hebben om een goed leven te kunnen leiden. Van voedsel, een dak boven je hoofd tot zaken als onderwijs, democratie en gendergelijkheid – de complete Maslowpiramide. Aan de buitenkant van de donut neemt Raworth de capaciteit van de aarde op. En zo zie je een groene veilige ruimte ontstaan – de “ecologically safe and socially just space” – waar economie binnen zou moeten blijven.
Of je het nu eens bent met de idealistische invulling van Raworth, het is in elk geval interessant dat ze de vraag opwerpt waarom we eigenlijk zo’n beperkte invulling geven aan het begrip economie en daarin allerlei factoren buiten beschouwing laten, waarom het niet volgens menselijke maatstaven is ingericht en waarom het losstaat van menselijke waarden.
De donuteconomie is food for thought, ook zeker binnen het denken over de aandachtseconomie.

 

Techbedrijf, voor je winst hoef je ons niet verslaafd te maken

Deze nieuwsbrief staat ook weer in het teken van Nir Eyal. Hij stelt namelijk dat techbedrijven ons helemaal niet verslaafd hoeven te houden om winst te kunnen blijven maken én zelfs in een unieke positie zijn om mensen die écht verslaafd zijn geraakt te helpen. Waar begint de ethische verantwoordelijkheid van techbedrijven bij het ontwerpen van een betere relatie met onze telefoon en waar eindigt deze?

Unieke positie techbedrijven om verslaafden te helpen

Als we nadenken over een meer ethische benadering rondom de diensten die nu in onze smartphone zitten en onze aandacht ongewild opslurpen, dan zit je al snel bij regulering of alternatieve ontwerpen. En dat, zo schrijft Eyal, terwijl techbedrijven juist in de unieke positie zijn om techverslaafden te helpen.
Hij onderscheidt namelijk twee typen van verslavende producten. In de eerste categorie kent de fabrikant z’n klanten niet. De fabrikant van sigaretten weet bijvoorbeeld niet wie z’n stinkstokkies koopt en kan daarom niet veel meer doen dan een algemene waarschuwing op de verpakking zelf plaatsen.
In het tweede type verslavend product kent de maker z’n gebruikers wel, en zelfs zeer goed. De makers van games en social media tracken hun gebruikers bijvoorbeeld in elke klik die ze maken. Ze weten precies hoe lang hun gebruikers per dag doorbrengen in hun digitale omgeving, en hoe vaak ze op een bepaalde link klikken. Ze kunnen precies zien wie er op een ongezonde manier met hun product omgaat.
En juist daarom vindt Eyal dat makers van technologie een ethische verplichting hebben om gebruikers tegen zichzelf in bescherming te nemen:
When it comes to companies that know exactly who’s using, how, and how much, much more can be done. To do the right thing by their customers, companies have an obligation to help when they know someone wants to stop, but can’t. Silicon Valley technology companies are particularly negligent by this ethical measure.
Dat kan bijvoorbeeld door als bedrijf een voorzichtige email naar een gebruiker te sturen om hem/haar bewust te maken van het feit dat z’n gebruik toch wel ver boven het gemiddelde ligt, of de gebruiker de mogelijkheid bieden om voor zichzelf grenzen te stellen (na 2 uur Facebookgebruik sluit de service zich automatisch voor je af).  Daar hoef je dan niet elke gebruiker mee lastig te vallen, maar alleen specifieke gebruikers die het nodig hebben. Eyal bedacht deze voorbeelden:
For example, instead of auto-starting the next episode on Netflix or Amazon Video, the binge-inducing video streaming services could ask users if they’d like to limit the number of hours they watch in a given weekend. Online games could offer players who cancel their accounts the option of blacklisting their credit cards to prevent future relapses. Facebook could let users turn off their newsfeeds during certain times of the day. And rather than making it so fiendishly difficult to figure out how to turn off notifications from particularly addictive apps, Apple and Android could proactively ask certain users if they’d like to turn off or limit these triggers. […]
For example, setting a trigger based on the number of hours spent using an online service could prompt the company to reach out to suggest ways to cut back or deprecate certain features.
Natuurlijk zit hier een fijne grens tussen goedbedoelde hulp en een paternalistische houding – zoals iedereen die wel eens advies heeft gegeven wel weet…

Je hebt hoge participatie nodig, geen verslaafden

Als we het hebben over de technieken die de techindustrie inzet om hun gebruikers ‘hooked’ te krijgen, dan wordt Silicon Valley al snel vergeleken met Las Vegas. Maar dat is juist een vergelijking die we niet meer moeten trekken volgens Eyal als we het hebben over hoe techbedrijven hun ethische verantwoordelijkheid kunnen nemen. Dan mis je namelijk het grote verschil tussen Silicon Valley en Las Vegas: dat Las Vegas voor z’n businessmodel afhankelijk is van verslaafden en Silicon Valley niet.
Casino’s – en ook andere industrieën zoals online games – halen het meeste voordeel uit de mensen die echt verslaafd zijn. Walvissen worden deze mensen genoemd – de 0,15 % van de spelers die 50% van de opbrengsten binnen brengen.
In an industry where the cost of acquiring a player is just barely less than the revenue made per user, whales tip the scales to profitability. Without these extreme customers, their businesses aren’t viable. Similarly, the casino industry depends on a disproportionate share of revenue coming from a small group of likely addicted gamblers, some of whom are known to wear adult diapers to avoid having to stop playing.
Er zijn natuurlijk veel industrieën die leunen op een walvismodel, a.k.a businessmodel, waar ze het leeuwendeel van hun inkomsten door hun meest loyale klanten binnenkrijgen. Zo verkrijgt de fast food industrie 60% van hun inkomsten van de 20% ‘heavy users’ (oh, de ironie).
De vraag is dan natuurlijk: waar begint de ethische verantwoordelijkheid van een bedrijf? Eyal vindt dat het onethisch is als een bedrijf inkomsten accepteert van iemand die eerder heeft aangegeven te willen stoppen met het product, maar dat niet kan. Zo zijn de meeste Amerikaanse casino’s bijvoorbeeld verplicht om ‘self-exclusion’ programma’s te hebben voor spelers die hun verslaving willen breken, maar verwelkomen ze hen tegelijkertijd met open armen als ze weer het casino binnenwandelen.
Casinos escape liability through a legal loophole protecting them from prosecution. Nevertheless, it is unethical to accept patronage from someone a company knows wants to stop using your product but can’t. This moral standard should apply to all industries that collect personal usage data on individuals and therefore have the ability to identify, message, and help problem users.
Het probleem is: dit soort industrieën zijn even verslaafd aan hun verslaafden, als de verslaafden aan hun producten zijn. Je ethische verantwoordelijkheid nemen zou wel eens kunnen betekenen dat je je eigen business onderuithaalt. Het businessmodel van de meeste apps en services op je telefoon steekt echter heel anders in elkaar: je hebt geen walvissen nodig, maar juist zoveel mogelijk kleine (en loyale) visjes.

Maak je product juist meer engaging

Goed, je hebt dus een hoge participatiegraad nodig om je product winstgevend te kunnen houden. Dat betekent dus dat je – wellicht tegen je verwachting in – je product juist meer ‘engaging’ (heeft iemand hier een goede Nederlandse vertaling voor?) moet maken. Niet verslavend, maar wel gewoontevormend.
Wat je namelijk nodig hebt, zo schrijft Eyal in z’n boek ‘Hooked’, is een hoge CLTV – Customer Lifetime Value, wat zoveel betekent als het geld/andere soort waarde die je van een gebruiker krijgt voordat ie om de één of andere reden besluit om te stoppen met je product. En die CLTV stijgt juist hoe meer jouw product gewoontevormend is. Een bekend model hiervoor is het Freemium-model, waarbij een product of dienst gratis wordt aangeboden, met premium functies waarvoor je dan wel moet betalen. Gratis games zoals Pokémon Go bieden bijvoorbeeld gebruikers de kans om extra pokéballs of eitjes te kopen in de shop. En nieuwsbriefservices zoals deze bieden gebruikers in de Pro-variant meer mogelijkheden om het design van de nieuwsbrief aan te passen, of A/B-tests te doen. Gebruikers zijn eerder geneigd om te betalen voor je product als ze het al op regelmatige basis gebruiken (en er natuurlijk tevreden over zijn).
Bovendien zijn gebruikers die echt waarde in je product vinden geneigt om je product te bepleiten bij hun vrienden:
Having a greater proportion of users daily returning to a service dramatically decreases Viral Cycle Time (the amount of time it takes a user to invite another user) for two reasons: First, daily users initianate loops more often (think tagging a friend on Facebook); second, more daily users means more people to react and respons to each invitation. The cycle not only perpatuates the process – with higher rand higher user engagement – it accelerates it.
Maar het echte verschil voor je product gaat pas komen in de laatste fase van het ‘Hooked’ raken, de fase van investeren die ik vorige week beschreef. Als je product zo is gemaakt dat het elke keer z’n waarde vergroot wanneer de gebruiker het gebruikt en er iets in investeert – data, vrienden toevoegen – dan leert het product de gebruiker beter kennen en kan van meer waarde zijn. Zo leert Netflix nauwkeuriger voorspellen (tot op het gênante af) van welke voor films en series je echt houdt. En doordat Gmail elke email die je hebt verstuurd bewaart, is de emailservice niet alleen een tool om mee te emailen (en daarmee inwisselbaar voor welke emailservice dan ook), maar een archief van jaren en jaren emails. En zou jij je verzamelde herinneringen op Instagram zomaar willen inwisselen voor een andere – wellicht privacyvriendelijkere – service?
Switching to a new e-mailservice, social network, or photosharing app becomes more difficult the more people use them. The nontransferable value created and stored in these services discourages users from leaving. […]

So why haven’t more Google users switched to Bing? Habits keep users loyal. If a user is familiar with the Google interface, switching to Bing requires cognitive effort. Although many aspects of Bing are similar to Google, even a slight change in pixel placement forces the would-be user to learn a new way of interacting with the site. Adepting tot he differences in the Bing interface is what actually slows down regular Google users and makes Bing feel inferior, not the technology itself.

Ook het lerende algoritme van Google dat z’n best doet om suggesties aan te bieden op basis van je eerdere zoektochten zorgt dat nu ‘even dit online nazoeken’ synoniem is geworden aan ‘even googlen’.

Waar eindigt verantwoordelijkheid van techbedrijven?

Goed, technologiebedrijven verkeren dus juist in de positie om echt verslaafde gebruikers te helpen, en hebben het dus ook niet nodig voor hun businessmodel om hen verslaafd te houden. Maar waar begint en eindigt deze verantwoordelijkheid eigenlijk?
Eyal stelt dat we allereerst een verschil moeten maken tussen positieve en negatieve manieren van manipulatie. Zo zijn er ook veel industrieën die manipulatie bewust inzetten om hun gebruikers te helpen:
If manipulation is a designed experience crafted to change behavior, then Weight Watchers, one of the most successful mass-manipulation products in history, fits the definition.
Bij manipulatie moet je allereerst het onderscheid maken tussen ‘persuasion’ (overreding) en ‘coercion’ (dwang). In het eerste geval zet je de gebruiker aan tot iets wat hij/zij wel wil, in het tweede geval zet je hem/haar aan tot iets dat JIJ wil, maar de gebruiker eigenlijk niet. Dark patterns is een voorbeeld van deze laatste kwalijke vorm van manipulatie. Trucjes ingebouwd in websites, apps of games die de gebruiker onbedoeld aankopen laat doen of zich laat aanmelden voor diensten of nieuwsbrieven. Deze site verzamelt de veelvoorkomende dark patterns (en de bedrijven die hiervan gebruik maken).
Vervolgens moet je volgens Eyal als maker jezelf de vraag stellen: heb ik het überhaupt voor mijn business nodig om mijn gebruikers hooked te krijgen? Daarvoor ontwierp hij bovenstaande Manipulation Matrix:
The Manipulation Matrix does not try and answer which businesses are moral or which will succeed. Nor does it describe what can and cannot become a habit-forming technology. The matrix seeks to help you answer not, “Can I hook users?” but “Should I attempt to?”
Het model stoelt op twee sleutelvragen: ‘Zou ik het product zelf gaan gebruiken? (of: zou ik het product hebben gebruikt als ik jonger/ouder was?)’ en: ‘Geloof ik dat het product z’n gebruikers helpt om hun leven te verbeteren?’.
Als je voldoet aan deze twee criteria heb je volgens Eyal alle benodigde verantwoordelijkheid genomen. Maar wat nu als een gebruiker vervolgens tóch verslaafd raakt aan je product? Tjsa, vindt Eyal, daar begint dan de eigen verantwoordelijkheid van de gebruiker.
In any normal distribution, a small percentage of people will be on the extremes. If the designers make a product that they would use themselves, and they believe it improves the lives of their users, they have fulfilled their moral obligation.